1959 Marion de Grijs (docent Frans, conrector én oud-leerling)

In de serie “uit het verleden van onze school” volgt in deze aflevering een schets van de periode eind jaren 50 tot midden jaren 60. Een van de periodes waarin ik verbonden was met de school, de eerste waarin ik er ook een groot deel van mijn dagelijks leven doorbracht.

Het is eind juni 1959. Alle leerlingen uit de 6e klas van de lagere school moeten toelatingsexamen doen. Waar je naar de vakantie naar toe zou gaan hangt voor een deel van dat examen af.

De onderwijswereld ziet er nog overzichtelijk uit. En voor de kleine Roomse zuil in Groningen zijn er vier verschillende smaken. De huishoudschool Sint Bernadette voor de meisjes, de mulo in de  Butjesstraat, de MMS  voor de meisjes en het Sint Maartenscollege voor jongens en meisjes die naar de HBS of het Gymnasium mogen. Een katholieke lagere of middelbare technische school ( de ambachtsschool) bestaat er niet, maar dat is ook niet erg: het leren timmeren, lassen of snijden vraagt geen aparte roomse benadering.

Nog voor het eind van het schooljaar weet ik dat ik naar het Sint Maartenscollege mag. Dus doe ik mijn best om op de boekenbeurs alle materiaal voor het volgende jaar zo goedkoop mogelijk te kopen . Maar vergis me toch bij het geschiedenisboek en laat me een te oude druk in de maag splitsen.

1959. Het laatste jaar dat de onderbouw start in de witte villa aan het eind van de Verlengde Hereweg. Het “Chateau Blanc” zoals het genoemd wordt,  is uitgebreid met een aantal barakken om het groeiende aantal jonge leerlingen te herbergen. Naar de Esserhoeve ga je in de bovenbouw, maar zover is het met mij nog lang niet.

Wel wordt er achter die Esserhoeve stevig geheid, want er komt een nieuw schoolgebouw. En daar trekken we voor de gymnastieklessen al in, zodra er lesgegeven kan worden. Voor de rest liggen de fundamenten nog open en bloot. En op de Esserberg  wonen nog  altijd de jongens van het internaat.

Dat eerste jaar gaat er een totaal nieuwe wereld voor mij open.  De vakken zijn nieuw, de leraren kleurrijk. Althans het lekengedeelte, want de Jezuïeten lopen allemaal nog in zwarte pakken met witte boordjes rond. De eerste vrouwelijke docenten zijn nog maar kort geleden aangenomen: Bella Bumper, onze juf Nederlands, Kip die Tekenen geeft, Miss Witteveen voor het vak Engels, Mies voor gymnastiek. Verder hebben we Oom, de geschiedenisleraar van het eerste uur, Jordens (ook leraar vanaf 1946) en Nasser voor aardrijkskunde.

Elk proefwerkblaadje begint met AMDG ( Ad Majorem Dei Gloriam) en eindigt met QED ( Quod Erat Demonstrandum). Maar in de wekelijkse mis wordt allang geen latijn meer gebruikt want wij oefenen  nederlandse liedjes met Huub Oosterhuis in de kapel. Diezelfde Huub Oosterhuis heeft ook een zangclubje voor meisjes opgericht en in de pauzes werken we een veel uitbundiger repertoire af.

Dat eerste jaar met al zijn rituelen: het feest van Sint Maarten, Sinterklaas met de zangclub, de Kerstsessie, het jaarlijkse toneel in de Stadsschouwburg, de vaardigheidsrit op de fiets. En aan het eind van het jaar de bijeenkomst waarin je bevorderd wordt, met muziek, met applaus voor de beste leerling van de klas: cum laude én een boek als prijs. Dat krijg ik!

Helaas, daarna wordt het nooit meer hetzelfde.